Wandelen op de grens. In het verre oosten van Zeeuws-Vlaanderen is de overgang van Zeeland naar Vlaanderen tastbaar. Niet in het minst omdat de Zuid-Nederlanders tussen Nieuw-Namen en Clinge een dijk opwierpen, precies op de grens. Staatsen aan de noordkant, papen ten zuiden. Dat waren nog eens duidelijke tijden.
Dat noemen ze nou een Vlaams landschap. Stukjes bos, stukjes bouwland, slootjes met beplanting. Zonder verkleinwoorden kun je daar de kern niet vangen.
We zijn de Opperstraat ingeslagen, vanaf de Woestijnstraat, de doorgaande weg tussen Clinge en Nieuw-Namen. Van het ene op het andere moment in een andere wereld. De Woestijnstraat valt ongetwijfeld buiten alle verkeersveiligheidplannen, het is zo'n weg waar ze ouderwets de vouwen uit je broek rijden. Nee, dan de Opperstraat. Nog net geasfalteerd, althans het eerste deel tot de landsgrens. De stilte is zo intens, ze suist in je oren.
We zijn op pad met George Sponselee. Je kunt het minder treffen. Hij is zo ongeveer de vleesgeworden streekkenner. Met zijn 75 jaar wijst hij met graagte de weg in de polders, waar hij over elke graspol wel al eens geschreven en verteld heeft. De term Vlaams landschap komt van hem. Wil je de daarbij horende kleinschalige inrichting in volle glorie zien, dan moet je even het Vlaanderenland richting Meerdonk inrijden. Daar zit je in het gebied, dat ingeklemd ligt tussen de grens en de expresweg van Antwerpen naar Zelzate. Voortvarende Vlaamse bestuurders hebben vaak genoeg op schaalvergroting en verkaveling aangedrongen. Zoals dat wel vaker gaat bij onze zuiderburen, bleven de plannen mooie voornemens. Met het resultaat dat er nu een landschapsstructuur ligt, waar ze in Nederlandse natuurkringen alleen maar van kunnen dromen.
In het grote verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse polders zit best een verhaal, zegt Sponselee. En hij vertelt over de Vredespolder, die in 1654 - vlak na het einde van de Tachtigjarige Oorlog - werd bedijkt. Het was een grensoverschrijdend project, zeer uitzonderlijk voor die tijd. Maar die saamhorigheid duurde niet lang. Het onderlinge vertrouwen was minimaal, zeker toen bij het gehucht Zandberg de uitwaterings- en inundatiesluis Steenen Beer werd gebouwd. Een sluis, geschikt dus om water uit, maar ook ín de polder te laten. De Zuid-Nederlanders zagen de bui hangen en namen drastische maatregelen: ze legden precies op de grens de Koninkse Dijk aan, die alle inundatiewater zou kunnen keren. Vandaag de dag ligt de uit bange voorzorgen opgeworpen dijk nog altijd als een liniaal in het vlakke land tussen Nieuw-Namen en Clinge.
Eigenlijk waren we op pad gegaan om het bij de twee welen in het gebied, de Krieke Putten, over Reynaert de Vos hebben. De schelm zou er zijn schat verstopt hebben en zo het hoofd van de koning van het dierenrijk op hol hebben gebracht. Een overbekend verhaal, maar Sponselee vindt het nog altijd mooi, met een zeer eigentijdse moraal. " Kijk maar eens naar de kredietcrisis." Zo, genoeg over de vos. De verteller laat een gepaste stilte vallen. Gelijk heeft hij. De Reynaert is een middeleeuws epos; toen hij zijn schat verstopte, waren er nog geen Krieke Putten. Zelfs een fabeldier kan zich daar niet helemaal senang bij voelen.
De welen - daar zit voor Sponselee een verhaal aan vast, dat wel hout snijdt. Ze ontstonden in 1584-1585 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen het gebied uit strategische overwegingen onder water werd gezet. Het zijn restanten van dijkdoorbraken. Tegenwoordig met zoet water, wat voor Zeeuws-Vlaanderen met overwegend brakke binnenwateren nogal opmerkelijk is. Dat het zoute water echt zoet is geworden, heeft met de zandige ondergrond te maken.
We zitten niet alleen op de landsgrens, maar ook op de grens van klei en pleistoceen zand. Dat zie je aan de begroeiing. Sponselee kan enthousiast worden over een op het oog weinig spectaculaire hulstheg, die we aan de Vlaamse kant van de grens tegenkomen. Echt helemaal typisch voor het zand, zegt hij, en vaak honderden jaren oud.
Aan het eind van het modderpad stappen we bij het voormalig Fort Bedmar terug in de Tachtigjarige Oorlog. Een stukje vestinggracht, meer is er niet over. Met een beetje fantasie is het middenterrein van de versterking nog te herkennen. De laatste jaren is de Spaans-Staatse linie een begrip geworden. Her en der langs de Vlaams-Zeeuwse grens zijn vestingen hersteld of weer aanwijsbaar gemaakt in het landschap. Fort Bedmar is kennelijk nog niet aan de beurt geweest.
De Kriekeputdreef vraagt laarzen. De gids heeft daar niet op gerekend en maakt zich zorgen over zijn schoeisel en wat zijn vrouw wel niet zal zeggen.
Hij wijst naar een eikenbosje. Overblijfsel van de tijd toen alle daken met riet werden bedekt. De dekkers gebruikten de smalle zwiepers als bandroeden, om het riet in te binden. Jonge uitlopers waren daarvoor het geschiktst. Dat zie je aan de vele afgezaagde exemplaren, die vervolgens drie of meer nieuwe stammen hebben gevormd.
We staan op een strategisch punt. In feite is heel de Kieldrechtpolder eeuwenlang deel geweest van een Zeeuwse waterlinie. Als er Spanjaarden of Fransen aankwamen, kreeg het water er vrij spel. De Duitse bezetter bediende zich van hetzelfde wapen. Ze hadden bovendien een radar- en luisterpost in de Kieldrechtpolder.
Het verhaal wil dat ze daar de vliegtuigen in Engeland konden horen opstijgen. De bunkers zijn inmiddels gesloopt. Wat dat betreft toont de Tachtigjarige Oorlog zich standvastiger in deze contreien.