Noord-Beveland is getekend door de strijd tegen het water. Vooral de
noordelijke kust biedt met een serie geschakelde inlagen een mooi beeld van
hoe vroeger het water werd buitengehouden. Nu is het natuurgebied, een
eldorado voor vogelaars.
Heerlijk onvoorspelbaar. Zeker in deze tijd van het jaar weet je niet welke vogels je aan zal treffen. De trek is net begonnen.
Hé, er zitten nog boerenzwaluwen. Gids Johan Giglot kijkt ervan op. Nee, de grote populaties ganzen zijn er nog niet. Die zijn nu vanuit het hoge noorden onderweg. Er zitten er wel, maar dat zijn grauwe ganzen, die hier het hele jaar bivakkeren. En, jawel, Nijlganzen, je herkent hen aan hun witte schouders. Eerst ziet hij er maar twee door zijn kijker. Als er later een grote groep ganzen met veel misbaar van achter de dijk komt vliegen en op het water van de inlaag 's-Gravenhoek neerstrijkt, telt hij veel meer exoten.
Johan Giglot weet van de weerzin. De Nijlgans hoort hier niet thuis, is agressief en pikt nesten van andere eenden in. Het dier komt hier nog maar sinds 1967 voor, toen er enkele exemplaren ontsnapten. Giglot haalt de schouders op. In zijn thuisland, Vlaanderen, is de Nijlgans inmiddels als inheemse soort erkend. Ja, je moet wat.
We wandelen aan de noordrand van Noord-Beveland. Rustig aan, de gids heeft het in zijn rug. Oosterschelde rechts, met stormvloedkering en Topshuis als een veilige begrenzing van de einder. Links een serie inlagen. Ooit aangelegd om overstromingen te voorkomen als de instabiele zeedijk het mocht begeven. Dat gebeurde nogal eens, de stroomgeul schoof steeds richting kust op, zodat de landbewoners zich wel moesten terugtrekken. Nu de Oosterschelde - voorlopig - getemd is, hebben de inlagen geen functie meer als reservezeewering. Als natuurgebied des te meer.
Johan Giglot is Wetland Wacht op Noord-Beveland. Dat wil zeggen dat hij één van de vrijwilligers is die een oogje in het zeil houden voor Vogelbescherming Nederland. Vermoedt hij dat er snode plannen worden gesmeed om het leefgebied van de vogels aan te tasten, dan trekt hij aan de bel.
Twee jaar geleden kwam de nu 31-jarige Giglot met zijn vriendin en de kleine Hannes naar Kortgene. Inmiddels is ook Katrijn van de partij. Ze woonden in Kontich, een voordorp van Antwerpen. Het leek hem moeilijk om een rustig plekje te vinden in de driehoek Brussel- Gent-Antwerpen. Daar kwam bij, dat rust in Vlaanderen betrekkelijk is. Er is in elk geval geen enkele garantie dat wat nu idyllisch oogt, dat over vijf of tien jaar ook nog is. De tot nu toe onstuitbare lintbebouwing doet het ergste vrezen. Johan Giglot is vogelaar en was zo bekend geraakt met Zeeland. Kortgene is nu voor hem en zijn gezin een oase in een drukke wereld. Temeer omdat hij als organisator van popfestivals voor scholieren en studenten in Vlaanderen in een luidruchtige, zeg maar hectische wereld leeft.
We beginnen de wandeling bij de Oesterput, tussen Wissenkerke en Colijnsplaat. Het is het enige overgebleven schorrengebiedje van Noord-Beveland, dat in open verbinding staat met de Oosterschelde . ,,Bijna hoog water'', constateert Giglot, ,,daardoor ruik je de zilte lucht van de schorren niet.'' De meerpalen vertellen dat er een landbouwhaventje is geweest. En wat de oesters betreft: in de 19e eeuw deed het haventje korte tijd dienst als verwateringsplaats. Met weinig succes.
Grijs overheerst, het aangekondigde mooie weer laat op zich wachten. We wenden de steven richting west. Eerst buitendijks, op het pad net boven de glooiing, met de wind mee. Verderop, wijst de gids, zijn de stenen op de dijk vernieuwd en is er het pad geasfalteerd. Ideaal voor fietsers. Het stuk waar wij lopen komt vast nog aan bod. Als smal tegelpad niet erg geschikt voor tweewielers. Zo op het eerste gezicht weten hondenbezitters de dijk te waarderen. Anders gezegd: je moet uitkijken waar je loopt.
Ach, een tapuitje, klinkt het plotseling vertederd. Het vogeltje vliegt steeds een stukje voor ons uit, alsof hij ons wil meelokken. Een doortrekker, zegt de gids, die je hooguit een maand per jaar in deze contreien kunt tegenkomen. We hebben dus geluk. Tapuiten broeden in konijnenholen. Aangezien het aantal konijnen afneemt, heeft de tapuit het ook niet breed.
De glooiing ligt bezaaid met scherven van oesterschelpen. Bij eb pikken meeuwen de oesters op en laten ze kapot vallen op de stenen.
Giglot krijgt een grote stern in het oog. Die trekken nu weg, het moet één van de laatste van het seizoen zijn, denkt Giglot.
Op het keerpunt gaan we aan de binnenkant van de dijk lopen. Tot dan was het gedurige geklots van het Oosterscheldewater tegen de dijk een vast achtergrondgeluid. Nu zorgt het riet voor vlagerig geruis. We komen net op tijd, een boer staat op het punt om de voor ons liggende dijk af te zetten, zodat hij er zijn schapen kan laten lopen. In het water van de 's-Gravenhoekinlaag zijn drie vogeleilandjes aangelegd. Daar zitten kokmeeuwen en visdieven. Aan de andere kant van het water steekt een schutting boven de kruin van de dijk uit. Een vogelkijkscherm, voor wie wil observeren zonder dat alles op de wieken gaat.
Terug bij de Oesterput zien we een kanoetstrandlopertje. Giglot: ,,Fel mooi.'' Ook een steenloper scharrelt voorbij. In het Engels noemen ze die een 'turnstone', goed getroffen omdat dat precies is wat het vogeltje doet: stenen keren op zoek naar voedsel.
Johan Giglot heeft wel wat met namen. Een graszanger, mijmert hij, heette tien jaar geleden nog een waaierstaartrietzanger. Nee, hij laat niemand raden aan welke naam hij de voorkeur geeft.