De wallen van Retranchement zijn al uitgeroepen tot het mooiste natuurplekje
van Zeeland. Beschutte hoekjes, kikkerputten, de hand van vestingbouwer
Maurits nog zichtbaar. Indrukwekkend, zelfs op een grijsnatte dag als het op
de grens met Vlaanderen maar niet licht wil worden.
Het is dat hij er zelf over begint. Na zoveel jaar noemen ze hem in Retranchement nog steeds de bomenman. Achthonderd volgroeide populieren rooien, het is ook niet niks.
We wandelen over de wallen van het dorp dat alles aan prins Maurits te danken heeft. Op het schelpenpad vergt het weinig voorstellingsvermogen. Tot begin jaren negentig van de vorige eeuw stonden er drie rijen populieren. Majestueuze, in de zomer altijd lispelende lanen. Ze maakten van Retranchement een kathedraal in het vlakke Zeeuws-Vlaamse landschap.
Toen het verdedigingswerk in die jaren als natuurgebied in beheer kwam bij Stichting het Zeeuwse Landschap, werd besloten korte metten te maken met de bomen. Fred Schenk (50), districtsbeheerder namens de stichting in Zeeuws-Vlaanderen, weet het nog goed. Hij heeft het karwei gespreid over enkele seizoenen uitgevoerd en is zo de man van de bomen gebleven. Aanvankelijk waren er tegengeluiden. Maar - herinnert de beheerder zich - nadat forse najaarsstormen de toppen uit een paar populieren hadden geblazen, luwde het protest.
Waarom de bomen weg moesten? Te veel schaduw, te veel blad, zegt Schenk. Om botanisch interessante wallen te krijgen, was er verschraling nodig, en zonlicht. Het resultaat mag er volgens hem zijn. Meer dan 250 verschillende soorten planten zijn er nu geregistreerd, waaronder mooie klavers als de gestreepte, ruwe en onderaardse.
Eén populier heeft hij laten staan, als een eenzame herinnering aan wat er was. Een gekkigheidje. "Kijk eens naar de wallen van Sluis", zegt Schenk. "Daar staan nog wel populieren, en daardoor blijven de wallen echt achter bij die van hier."
Alle peppelleed ten spijt, het is niet zo dat de 'Truzementse'
verdedigingsgordel kaal is. Zeker tweehonderdvijftig knotwilgen staan er nu, waarvan honderd al aardig op jaren. Het zijn biotoopjes op zich, met ruimte voor holenbroeders als ransuilen en mezen. In de kruin van sommige bomen groeien bramen en rozen. Wie met een heemkundige blik kijkt zal de knotwilgen als Zeeuwser inschatten dan de populieren.
De herfst doet zich gelden de laatste weken. Je hebt grijs en grijs. Het is nat, alweer. We doen net of we het niet merken. Prins Maurits bekeek dat in de 17e eeuw beter met zijn militaire campagnes. Hij schortte zijn activiteiten gewoon op als zijn laarzen in de zompige klei vast bleven zitten. In het weiland, dat ooit een haventje aan de Zwingeul was, loopt nog een tiental koeien rond. De Belgische Blauwe, echte vleeskoeien, zijn in de meerderheid. Als ze ons bovenlangs zien wandelen, komen ze verwachtingsvol aansnellen. Naar de stal, de warme stal, en weg van die schrale weilanden waar toch niks meer te halen valt. Ja, als koeien konden spreken... Ze lopen de rest van het rondje gelijk met ons op.
Ter hoogte van de grenspaal bovenop de wal geven ze het op. Ze zullen toch op de boer moeten wachten. Verderop in het land staan nog twee grenspalen. Met het exemplaar waar we vlakbij staan vormen ze 'de drieling', een benaming die het goed doet in de brochures van vvv's en wandelorganisaties.
En dan hebben we het nog niet over de boomkikker gehad. Retranchement en boomkikker, ze worden de laatste tien, twintig jaar in één adem genoemd. Al vrij snel nadat we aan de Molenstraat geparkeerd hebben, komen we langs de Boze put, een langgerekt watertje onderaan de oostelijke wal. Er zijn nog enkele tientallen veedrinkputten, maar voor de amfibieën is dit de belangrijkste stek. Op de oever groeien bramen, waarin de kikkers zich goed kunnen verstoppen. De harde, grote stekels van de planten houden mogelijke vijanden op afstand. Beheerder Schenk haalt zijn mobieltje tevoorschijn. Even later klinkt het gekek van een groep paarzuchtige boomkikkermannetjes. Er zitten er zo'n tweehonderd in deze ene poel, de totale wallenpopulatie wordt op driehonderd stuks geschat. Voldoende om levensvatbaar te zijn. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de groep in Aardenburg, waar de situatie met minder dan honderd zorgvol is.
Ook al is het aantal in Retranchement momenteel hoopgevend, de kikkers vragen wel veel onderhoud. Hun poel moet absoluut vrij zijn van vissen, want die eten de eitjes en larven op. Ze hebben dus ook braamstruweel nodig, dat in toom moet worden gehouden. En schoon water. Schenk laat de Boze put in een cyclus van drie jaar - telkens éénderde deel - uitbaggeren. Met andere woorden: de boomkikker is een veeleisend amfibietje. Kwetsbaar ook. In Nederland komen er nog concentraties voor in Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel. Maar veel is het niet. Het Zeeuwse Landschap heeft sinds een jaar of vijf richting Cadzand een strook van de Willem-Leopoldpolder in beheer. Daar zijn nu ook poelen en beschutting biedende begroeiing.
De roep van de mannetjesboomkikkers heeft er al geklonken. Het wachten is op het moment dat ze er daadwerkelijk gaan paren.
Tijdens het tweede deel van de wandeling, aan de noordkant van het dorp, hebben we vanaf de wal uitzicht op het nieuwe natuurgebied. Schenk heeft zijn manschappen enkele dagen eerder zichtgaten laten zagen in de vrij dichte struiken- en bomenrand. Over enkele jaren kun je hier zien wat er eigenlijk met een coulisselandschap wordt bedoeld. Net over de landsgrens zijn de buren in een heus ontpolderingsdebat gewikkeld, de vraag is of de Willem-Leopold na bijna anderhalve eeuw weer bij het Zwin gevoegd moet worden.
Terug bij de auto is het bijna droog. Een zekere planning kan de bereiders van het weer niet ontzegd worden. Eerder dit jaar kozen lezers van de PZC de Retranchementse wallen tot het mooiste natuurplekje van Zeeland. Zij stuurden toen vooral zonnige foto's in.
De wallen van Retranchement zijn al uitgeroepen tot het mooiste natuurplekje van Zeeland. Beschutte hoekjes, kikkerputten, de hand van vestingbouwer Maurits nog zichtbaar. Indrukwekkend, zelfs op een grijsnatte dag als het op de grens met Vlaanderen maar niet licht wil worden. tekst Jan van Damme, foto's Peter Nicolai, foto's kikker en uil Chiel Jacobusse
Het is dat hij er zelf over begint. Na zoveel jaar noemen ze hem in Retranchement nog steeds de bomenman. Achthonderd volgroeide populieren rooien, het is ook niet niks.
We wandelen over de wallen van het dorp dat alles aan prins Maurits te danken heeft. Op het schelpenpad vergt het weinig voorstellingsvermogen. Tot begin jaren negentig van de vorige eeuw stonden er drie rijen populieren. Majestueuze, in de zomer altijd lispelende lanen. Ze maakten van Retranchement een kathedraal in het vlakke Zeeuws-Vlaamse landschap.
Toen het verdedigingswerk in die jaren als natuurgebied in beheer kwam bij Stichting het Zeeuwse Landschap, werd besloten korte metten te maken met de bomen. Fred Schenk (50), districtsbeheerder namens de stichting in Zeeuws-Vlaanderen, weet het nog goed. Hij heeft het karwei gespreid over enkele seizoenen uitgevoerd en is zo de man van de bomen gebleven. Aanvankelijk waren er tegengeluiden. Maar - herinnert de beheerder zich - nadat forse najaarsstormen de toppen uit een paar populieren hadden geblazen, luwde het protest.
Waarom de bomen weg moesten? Te veel schaduw, te veel blad, zegt Schenk. Om botanisch interessante wallen te krijgen, was er verschraling nodig, en zonlicht. Het resultaat mag er volgens hem zijn. Meer dan 250 verschillende soorten planten zijn er nu geregistreerd, waaronder mooie klavers als de gestreepte, ruwe en onderaardse.
Eén populier heeft hij laten staan, als een eenzame herinnering aan wat er was. Een gekkigheidje. "Kijk eens naar de wallen van Sluis", zegt Schenk. "Daar staan nog wel populieren, en daardoor blijven de wallen echt achter bij die van hier."
Alle peppelleed ten spijt, het is niet zo dat de 'Truzementse'
verdedigingsgordel kaal is. Zeker tweehonderdvijftig knotwilgen staan er nu, waarvan honderd al aardig op jaren. Het zijn biotoopjes op zich, met ruimte voor holenbroeders als ransuilen en mezen. In de kruin van sommige bomen groeien bramen en rozen. Wie met een heemkundige blik kijkt zal de knotwilgen als Zeeuwser inschatten dan de populieren.
De herfst doet zich gelden de laatste weken. Je hebt grijs en grijs. Het is nat, alweer. We doen net of we het niet merken. Prins Maurits bekeek dat in de 17e eeuw beter met zijn militaire campagnes. Hij schortte zijn activiteiten gewoon op als zijn laarzen in de zompige klei vast bleven zitten. In het weiland, dat ooit een haventje aan de Zwingeul was, loopt nog een tiental koeien rond. De Belgische Blauwe, echte vleeskoeien, zijn in de meerderheid. Als ze ons bovenlangs zien wandelen, komen ze verwachtingsvol aansnellen. Naar de stal, de warme stal, en weg van die schrale weilanden waar toch niks meer te halen valt. Ja, als koeien konden spreken... Ze lopen de rest van het rondje gelijk met ons op.
Ter hoogte van de grenspaal bovenop de wal geven ze het op. Ze zullen toch op de boer moeten wachten. Verderop in het land staan nog twee grenspalen. Met het exemplaar waar we vlakbij staan vormen ze 'de drieling', een benaming die het goed doet in de brochures van vvv's en wandelorganisaties.
En dan hebben we het nog niet over de boomkikker gehad. Retranchement en boomkikker, ze worden de laatste tien, twintig jaar in één adem genoemd. Al vrij snel nadat we aan de Molenstraat geparkeerd hebben, komen we langs de Boze put, een langgerekt watertje onderaan de oostelijke wal. Er zijn nog enkele tientallen veedrinkputten, maar voor de amfibieën is dit de belangrijkste stek. Op de oever groeien bramen, waarin de kikkers zich goed kunnen verstoppen. De harde, grote stekels van de planten houden mogelijke vijanden op afstand. Beheerder Schenk haalt zijn mobieltje tevoorschijn. Even later klinkt het gekek van een groep paarzuchtige boomkikkermannetjes. Er zitten er zo'n tweehonderd in deze ene poel, de totale wallenpopulatie wordt op driehonderd stuks geschat. Voldoende om levensvatbaar te zijn. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de groep in Aardenburg, waar de situatie met minder dan honderd zorgvol is.
Ook al is het aantal in Retranchement momenteel hoopgevend, de kikkers vragen wel veel onderhoud. Hun poel moet absoluut vrij zijn van vissen, want die eten de eitjes en larven op. Ze hebben dus ook braamstruweel nodig, dat in toom moet worden gehouden. En schoon water. Schenk laat de Boze put in een cyclus van drie jaar - telkens éénderde deel - uitbaggeren. Met andere woorden: de boomkikker is een veeleisend amfibietje. Kwetsbaar ook. In Nederland komen er nog concentraties voor in Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel. Maar veel is het niet. Het Zeeuwse Landschap heeft sinds een jaar of vijf richting Cadzand een strook van de Willem-Leopoldpolder in beheer. Daar zijn nu ook poelen en beschutting biedende begroeiing.
De roep van de mannetjesboomkikkers heeft er al geklonken. Het wachten is op het moment dat ze er daadwerkelijk gaan paren.
Tijdens het tweede deel van de wandeling, aan de noordkant van het dorp, hebben we vanaf de wal uitzicht op het nieuwe natuurgebied. Schenk heeft zijn manschappen enkele dagen eerder zichtgaten laten zagen in de vrij dichte struiken- en bomenrand. Over enkele jaren kun je hier zien wat er eigenlijk met een coulisselandschap wordt bedoeld. Net over de landsgrens zijn de buren in een heus ontpolderingsdebat gewikkeld, de vraag is of de Willem-Leopold na bijna anderhalve eeuw weer bij het Zwin gevoegd moet worden.
Terug bij de auto is het bijna droog. Een zekere planning kan de bereiders van het weer niet ontzegd worden. Eerder dit jaar kozen lezers van de PZC de Retranchementse wallen tot het mooiste natuurplekje van Zeeland. Zij stuurden toen vooral zonnige foto's in.