
Het waterwingebied bij Sint Jansteen nodigt uit tot wandelen. Lange lanen
met loofbomen beloven dat de herfst schitterend zal zijn. Het dekzand op de
grens van Zeeuws-Vlaanderen wordt gekoesterd. Schrale gronden zijn schaars
in Zeeland. De waterwinning drukt met kanalen en inlaatvijvers een stempel
op het gebied. Overal dus de sporen van menselijk ingrijpen, die in dit
geval een rijk natuurleven mogelijk maken.
Het zonlicht zegt nazomer. In het bos is de grote verkleuring begonnen. Nog niet wat je noemt een herfsttooi, maar de blaadjes lispelen niet soepel meer, ze klinken houterig. Spinnenwebben leggen een ragfijne deken over gras en heide. ,,De tijgerspin'', zegt Alex Wieland, ,,de tijgerspin zit hier.'' Die laat zich eventjes niet zien. Er hangt wel een roodachtig exemplaar in een web. ,,Kijk, een viervlekwielspin'', klinkt het trefzeker, ,,nog een lekkere dikke ook.''
Wieland woont dichtbij, in Hulst. Hij is sinds dit jaar voor de Stichting Het Zeeuwse Landschap beheerder van het bosgebied op de grens bij Sint Jansteen. Een vogelkijker over de schouder, je weet maar nooit. Hij is zo'n natuurman, die elk vogelgeluid meteen een naam kan geven. Hoor: een Vlaamse gaai, een kuifmees, een ijsvogel, een boomkruiper.
We hebben afgesproken een rondje waterwingebied te doen. Doordeweeks is het rustig, heb je het bos bijna voor je alleen. In het weekeinde, vertelt Wieland, wemelt het van de rustzoekers. Veel mensen uit Terneuzen. En Vlamingen, want daar hebben ze meer lintbebouwing dan groen.
De aanplant van bomen zal in de jaren dertig van de vorige eeuw begonnen zijn. Toen werd ook het waterpompstation gebouwd. Lanen, veldjes, kanalen, er zijn geen pogingen gedaan de mensenhand te verdoezelen. Dat is meteen de charme van het woud. Eikenlanen, beukenlanen, lanen met beuken én eiken, ze zorgen voor rustgevende dieptewerking. Een beetje heiïg in de verte, daar staat een grenspaal, wijst Wieland. Niet dat de natuur zich daaraan houdt. Het bos groeit op schraal, kalkarm zand. Dat is te zien aan de meeste bomen, ze hebben moeite om tot volle wasdom te komen. Er staan ook dode exemplaren tussen. We zien er één staan aan de rand van een open plek. ,,Er groeien tonderzwammen op'', ziet Wieland door zijn verrekijker. Dood hout is belangrijk voor natuurlijk bosbeheer, als er geen gevaar is voor wandelaars zal de stam niet worden weggehaald.
We stuiten regelmatig op rechthoekige open plekken, begroeid met gras en heide. Wieland vertelt dat het oude rootveldjes zijn, waar vlas werd uitgespreid om te zorgen dat de bast zou loslaten. De stukjes bast dienden als bemesting, vervolgens kon er rogge worden geteeld. Dat is allemaal verleden tijd, net als de grootschalige vlasindustrie in Zeeuws-Vlaanderen. Maar de open plekken zijn gebleven. Er is spontaan heide opgekomen. Heide is zeldzaam in kleiïg Zeeland. Ja, nog één locatie, weet Wieland, bij Renesse. Daar zouden zaadjes zijn meegevoerd in de camouflagenetten van Duitse legervoertuigen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De heidegroei in de bossen van Sint Jansteen is in dat opzicht natuurlijker.
De bosbeheerder vertelt over bedrijfsgroepen, die in zijn bossen komen klussen. Ze kunnen nuttig werk doen door de woekerende bramen te lijf te gaan, die het de heide moeilijk maken. Voor wie dan nog te veel energie heeft, is er een trimbaantje aangelegd. Verderop kom je de slinger tegen. Gewoon een dik touw aan een tak, zeer favoriet bij jonge boswandelaars.
Over bramen gesproken, er zijn meer ongenode gasten in het bos. Zoals de Amerikaanse vogelkers. Bijna een eeuw geleden werd de plant geïmporteerd om naaldbossen gezonder te maken. Dat lukte te goed, nu duikt de vogelkers overal op en staat hij natuurlijke verjonging van loofbos in de weg. Zo ook bij Sint Jansteen. Wieland laat vrijwilligers vooral de zaaddragende bomen kortwieken, om ze uit te putten. Nee, bestrijdingsmiddelen zijn in een waterwingebied niet toegestaan.
De vlindertijd is grotendeels voorbij. Het is mooi weer, het voelt als zomer, dus hier en daar wil er nog weleens een verdwaald koolwitje opfladderen. Wieland vertelt dat het bos top is voor libellen en vlinders. Eikenpage, citroenvlinder, ze voelen zich er senang. Hoewel, vorig jaar was de zomer te nat, daardoor hebben we nu een minder rijk vlinderjaar. Elke veertien dagen wordt er in het bos onderzoek gedaan naar nachtvlinders. Met lamp en vlindernet, zoals het hoort.
De kanalen in het gebied staan droog. Ze worden pas 's winters gevuld met water uit de nabijgelegen Belgische polders. Nu staat er alleen een inlaatplas vol met water. Daar is het domein van de ijsvogel, hoewel die volgens Wieland door het overvloedige kroos ernstig belemmerd zal worden in zijn visactiviteiten. We lopen verder, een volgende beukenlaan. Super voor vleermuizen, zegt de gids. Die zijn gebaat bij afwisseling: bosranden, veldjes, water. De rosse vleesmuis, de op één na grootste soort in Nederland, komt er voor. Maar als je die wil zien, moet je wel 's avonds komen.